Hoera! Eindelijk heb ik na jaren een artikel uit een vakblad teruggevonden.
Er is een bepaald thema dat blijkbaar bij bosbouwers overal ter wereld terugkomt, en waar bij mijn weten weinig wetenschappelijke literatuur over bestaat. Het gaat over het fenomeen ‘voorlopers’ (geen officiële term). Wat zijn voorlopers? In een jong bos, stel je als beheerder vast dat sommige individuen opvallend sneller groeien dan andere. Voor zover ik weet worden zulke snelle groeiers in Vlaanderen dus voorlopers genoemd. Een bijkomend kenmerk hiervan is, dat in het geval van naaldbomen, ze duidelijk heel onregelmatige takkransen vertonen; sommige eindscheuten die later de afstand tussen 2 takkransen bepalen zijn heel kort, andere zijn bijzonder groot. Ook de takken die de kransen vormen zijn vaak heel dik, andere jaren weer heel dun. Dit patroon vertaalt zich ook in de jaarringen. Anderzijds is er een heel moeilijke natuurlijke takafstoting. Dit geeft dan heel ‘wilde’ bomen, met zware kruinen. Hier tegenover stonden de tragere starters. Deze werden gekenmerkt door net een zeer regelmatige opbouw van takkransen en kruin. De takhoek was meestal ook vlakker, zodat natuurlijke stamreiniging voorspoediger verliep.
Waarom wordt er zo vaak over dit fenomeen gediscussieerd? Ik herinner me dat toen ik nog boswachter was, en we gingen dunningen aanduiden in de typische Kempense dennenplantages, dat voorlopers voortdurend voor discussie zorgde. Sommige collega’s gooiden voorlopers er liefst zo snel mogelijk uit, andere stelden deze snelle groeiers net vrij. De reden waarom men deze bomen wil verwijderen, is dat ze vaak niet oud worden. Hiermee wordt een leeftijd van 100 jaar bedoeld. De voorstanders van de voorlopers pleiten dan dat oud genoeg was.
In de goeie ouwe tijd van Waters en Bossen, toen men nog systematisch in vaste brigades dunningen aanduidde, kon je in de openbare bossen de verschillende stijlen van de brigades vaststellen. In sommige brigades zag je duidelijk dat voorlopers niet benadeeld werden. In andere brigades moesten ze voor de leeftijd van 30 jaar verwijderd zijn. Dit gaf interessante bosbeelden.
Ik heb het geluk gehad om in de Landes ooit de bossen te kunnen verkennen. Ik zag net hetzelfde fenomeen; sommige bossen waar voorlopers behouden werden, andere bossen waar ze systematisch er uit gegooid werden. Hier voerden bosbeheerders blijkbaar dezelfde discussies.
Wat me later begon te dagen, was het feit dat er blijkbaar nauwelijks onderzoek gedaan is naar het fenomeen. Ik herinnerde me echter dat ik in een artikel één keer een verwijzing naar het fenomeen had gevonden. Maar ik herinnerde me niet meer welk artikel het was. Wel, ik heb net het artikel teruggevonden. Het staat in het Nederlands Bosbouwtijdschrift van 1986 nr. 3; Diktegroei en houtstructuur van vitale en niet-vitale douglas in de Peel, auteurs Ingrid de Kort en Pieter Baas (Rijksherbarium, Leiden).
Het artikel werd geschreven in de periode dat bossterfte ten gevolge van zure regen elke dag in de media opgevoerd werd, en het behandelde de sterfte van douglas in de Nederlandse Peel (domein Stippenberg). Een regio met zure, venige bodems, waar tegelijk enorme hoeveelheid ‘zure depositie’ ten gevolge van lokale bio-industrie in de bossen terechtkwamen. De bossen in de Peel waren zwaar aangetast. De onderzoekers bestudeerden de afgestorven bomen, en ze kwamen idd tot de vaststelling dat de voorlopers de eerste slachtoffers waren. In het artikel wordt verwezen naar een onderzoek van fijnspar in Midden-Duitsland door Athari en Kramer (1983), en zij ontdekten eveneens dat in het geval van fijnsparren (leeftijd niet vermeld) de gezondste bomen in de eerste jaren de langzaamste groeiers waren.
Dit kwam dus perfect overeen met de vaststelling van een aantal Vlaamse bosbouwers ‘te velde’. De term ‘voorlopers’ wordt echter niet gebruikt.
Indien iemand ooit nog gegevens vindt over dit fenomeen, of er gewoon een mening over heeft, laat het aub. weten. Ik vind het een bijzonder boeiend fenomeen. Trouwens, ik zou de betreffende bestanden in de Peel, nu 24 jaar later, best wel eens willen bezoeken.
Nog twee opmerkingen over het fenomeen;
- Ik ben er nog nooit in geslaagd om het goed op foto vast te leggen.
- Bij loofbomen is het minder uitgesproken.
